In de richtlijn is de verplichting van de grondroerder om de precieze ligging op enige locatie vast te stellen, gelimiteerd door het benoemen van een proefsleuf met maximale afmetingen.

De lengte van de proefsleuf bedraagt 1,00 m aan weerszijden van de theoretische ligging. Als de kabel of leiding echter theoretisch in een strook van 1,50 m naast de insteek van het graafprofiel is gelegen, strekt de proefsleuf zich niet uit tot buiten die strook en bedraagt de lengte in de richting van het graafprofiel 1,50 m, ook als de proefsleuf daardoor tot in het graafprofiel reikt.

De diepte is niet meer dan 0,25 m onder de bodem van het graafprofiel, met een maximum van 1,50 m.

Proefsleuf

Voor het aantal proefsleuven of de onderlinge afstanden daartussen is geen standaardoplossing te geven. Deze zijn sterk afhankelijk van de situatie. Op grond van zijn ervaring zal de grondroerder zelf moeten afwegen op welke plaatsen proefsleuven noodzakelijk zijn.

Als de kabel of leiding niet in de proefsleuf wordt aangetroffen, neemt de grondroerder contact op met de netbeheerder om vervolgacties te bepalen.

Bron: Publicatie CROW 250